Ieder bestandssysteem object (een bestand of map) heeft een koppeling met een pad, dat aan het systeem 'vertelt' waar het object is opgeslagen zodat het vanuit applicaties gevonden kan worden.

Het pad bestaat uit alle directory's die moeten worden geopend om bij het betreffende bestand uit te komen. (Directory's zijn de fysieke representaties van de &link_folders; op het station).

Een volledig geldig pad bestaat uit de stationsnaam, gevolgd door een dubbele punt (:) een aanvangs- 'backslash' (\) om de hoofddirectory aan te geven, plus een lijst van directory's die moeten worden geopend om bij het object te komen, allemaal gescheiden door weer een 'backslash' (\).

Als het pad naar een bestand verwijst, b.v een gegevensbestand of een programmabestand, wordt het gevolgd door de bestandsnaam. Bijvoorbeeld, de &eexe; bevindt zich in de OS2 directory van de opstartstation. Het volledige pad is dan:

X:\OS2\E.EXE

waar de X: staat voor de stationsletter van uw opstartschijf.

&os2; heeft verschillende systeempaden die aangeven waar het systeem moet kijken voor bestanden als een bestand niet voorzien is van een pad aanduiding. Zie: &xwp;: Systeempaden voor een nadere verklaring.