Als u van plan bent een teken te gebruiken dat normaal als opdrachtteken wordt
beschouwd moet u dit vervangen door het vooraf te laten gaan door het ^
teken.
Sommige opdrachttekens zijn alleen geldig achter de &os2; opdrachtaanwijzing en niet
geldig in een DOS sessie.
De volgende lijst laat de opdrachttekens zien in de volgorde waarin de opdrachtverwerker ze herkent:
^ teken vervangt een opdrachtteken om het te herkennen
als een gewoon invoer of uitvoer teken (alleen in &os2; sessies).
B.v. om de volgende uitvoer op het scherm te krijgen:
GEEF UW LEEFTIJD & SOFI NUMMER ==>tik dan in:
ECHO GEEF UW LEEFTIJD ^& SOFI NUMMER ==^>
( ) groeperen opdrachten zodat zij de normale volgorde van
voorrang die door de opdrachtverwerker wordt herkend te niet doen
(alleen in &os2; sessies).
> stuurt de uitvoer naar een bestand of een apparaat. Als het
bestand bestaat wordt dat overschreven.
>> stuurt de uitvoer naar een bestand en breidt het, als het bestaat, uit.
< haalt de invoer van het standaard invoer apparaat op en stuurt deze door.
De invoer bron en de uitvoer doelen van een programma zijn vooringesteld en bekend met een getal (ingang genoemd). De volgende drie zijn aanwezig:
STDIN genoemd, waarvan de 'ingang' de waarde 0 heeft.
Standaard is dit het toetsenbord.
STDOUT genoemd, waarvan de 'ingang' de waarde 1 heeft.
Standaard is dat het beeldscherm.
STDERR),
waarvan de 'ingang' de waarde 2 heeft. Standaard is dit ook het beeldscherm, maar
dit staat het gelijktijdig doorzenden van foutmeldingen toe.
STDIN leest en schrijft naar STDOUT en STDERR meeneemt.
Als het programma deze standaard afspraken niet ondersteund, b.v. als het niet een op tekst
gebaseerd programma is of direct leest en schrijft naar de hardware, werkt doorsturen niet.
Als meer dan ‚‚n opdracht is gespecificeerd, wordt alleen de laatste herkent.
Voorbeeld 1: Om de uitvoer van de
DIR
opdracht naar de printer door te sturen tik:
DIR > PRNin. Voorbeeld 2: Om de uitvoer van de
DIR opdracht door te sturen
naar een nieuw bestand genaamd lijst.txt, tik:
DIR > lijst.txtin. Het bestand
lijst.txt zal dan automatisch worden gemaakt of overschreven,
als het reeds bestond.
Voorbeeld 3: Om en STDERR en STDOUT door te sturen,
moet u eerst STDOUT en daarna STDERR naar STDOUT
doorsturen.
Doorstuur ingangen gebruiken in plaats van bestandsnamen moeten door een &
teken worden voorafgegaan.
Dus om alle uitvoer en foutenlijsten van de DIR opdracht door te sturen naar
een nieuw bestand met de naam lijst.txt, tik:
DIR *.* >lijst.txt 2>&1in.
|), ASCII teken 124, wordt gebruikt om twee
opdrachten te scheiden voor piping. Een 'pipe' onderschept de uitvoer van een
lopend programma en stuurt het als invoer naar een ander lopend programma.
'Pipes' worden meestal gebruikt met filters. Filters zijn systeem hulpprogramma's
die gegevens van STDIN onderscheppen, het verwerken en sturen naar
STDOUT.
&os2; levert drie filters:
SORT,
FIND, en
MORE. Meer extra filters worden
door derden geleverd.
Bijvoorbeeld: Om de huidige directory gesorteerd te zien en de uitvoer
naar een bestand genaamd gesortrd.txt te sturen, tikt u:
DIR | SORT > gesortrd.txtin. Opmerking: Wanneer er aan de linkerzijde van de 'pipe' een ongeldige opdracht staat, zal de opdracht aan de rechterzijde van de 'pipe' niet worden uitgevoerd. B.v.:
xxxx 2>&1 | MOREzal de uitvoer niet door de 'pipe' naar
MORE sturen omdat xxxx
een ongeldig programma is.
|| verwerkt voorwaardelijk een reeks opdrachten.
Een opdracht in de reeks kan alleen maar succesvol worden verwerkt als de voorgaande opdracht
succesvol is uitgevoerd (alleen in &os2; sessies).
& verwerkt onvoorwaardelijk individuele opdrachten in een reeks,
onafhankelijk van het goed of fout zijn van de voorgaande opdrachten in de reeks
(alleen in &os2; sessies).