KEY=VALUE.
De omgeving wordt voor verschillende doeleinden gebruikt:
Deze systeem omgevingsvariabelen zijn opgenomen in de
Handleiding bij OS/2 opdrachten
(CMDREF.INF)
en zijn meestal al ingesteld bij het opstarten van het systeem via het &cfgsys; bestand.
SET
opdracht.
U kunt omgevingsvariabelen opgeven door de naam van de variabele links
en rechts af te bakenen met een procent teken (%).
Deze uitdrukking wordt, door de opdrachtverwerker, dynamisch vervangen met de
waarde van de variabele.
Bijvoorbeeld, om een nieuwe ingang toe te voegen aan de huidige lijst van directory's
in de
PATH
variabele, kunt u intikken:
SET PATH=%PATH%;C:\NEWDIR. Door de
SETLOCAL
opdracht te gebruiken, kunt u een plaatselijke kopie maken van de omgevingsruimte, de huidige directory
en het huidige station, om tijdelijk wijzigingen aan te brengen.
Al deze instellingen worden met de
ENDLOCAL
opdracht teruggezet.