Onder bijna alle besturingssystemen, loopt ieder programma in een zogenoemde omgeving, die wordt gedefinieerd door een aantal omgevingsvariabelen. Elke omgevingsvariabele is een sleutel-waarde (key-value) paar in de vorm van KEY=VALUE.

De omgeving wordt voor verschillende doeleinden gebruikt:

Gebruik, om een set omgevingsvariabelen te lezen of in te stellen achter een opdrachtaanwijzing, de SET opdracht.

U kunt omgevingsvariabelen opgeven door de naam van de variabele links en rechts af te bakenen met een procent teken (%). Deze uitdrukking wordt, door de opdrachtverwerker, dynamisch vervangen met de waarde van de variabele.

Bijvoorbeeld, om een nieuwe ingang toe te voegen aan de huidige lijst van directory's in de PATH variabele, kunt u intikken:

SET PATH=%PATH%;C:\NEWDIR
. Door de SETLOCAL opdracht te gebruiken, kunt u een plaatselijke kopie maken van de omgevingsruimte, de huidige directory en het huidige station, om tijdelijk wijzigingen aan te brengen. Al deze instellingen worden met de ENDLOCAL opdracht teruggezet.